16 October 2003 · Source: Automatisering Gids · Download PDF

Pover

 

Wijnand Westerveld

 

Het zag er in 2000 allemaal zo veelbelovend uit in Lissabon. De Europese regeringsleiders besloten daar dat Europa in 2010 de meest concurrerende kenniseconomie ter wereld moest zijn. Het budget voor onderzoek en ontwikkeling zou daarvoor per land worden verhoogd tot 3 procent van het bruto binnenlands product.

 

Nu, drie jaar later, wordt duidelijk hoe krachtdadig deze voornemens ten uitvoer worden gebracht. Italië heeft dit jaar de subsidie voor onderzoek in het kader van ITEA (Information Technology for European Advancement) helemaal ingetrokken, Frankrijk schroeft zijn bijdrage van 50 procent per project terug naar 35 procent en ook Duitsland draait zijn bijdragen stevig terug. Nederland schrapte in 2001 al 20 procent, maar handhaaft nu de subsidiebedragen en heeft al toegezegd het huidige niveau tot 2006 te handhaven.

 

Het gevaar van deze ontwikkeling is dat Europa zijn voorsprong die het nu nog heeft op het terrein van telecommunicatie en de toepassing van embedded software, dreigt kwijt te raken.

 

De veronderstelling van de Europese overheden dat de R&D-inspanningen van de grote Europese multinationals afdoende zijn om het ‘oude continent’ op niveau te houden, is te lichtvaardig. Weliswaar bouwt Philips in Eindhoven een technologiecampus waar al het onderzoek van de onderneming geconcentreerd wordt, maar de meeste grote spelers kijken begerig over nationale grenzen naar landen waar de overheid graag en ruimhartig participeert in fundamenteel onderzoek.


Dreigen met verplaatsing van de R&D-activiteiten is onderdeel van het politieke spel om overheden in het thuisland te bewegen met geld over de brug te komen. Maar wie zich realiseert dat het Amerikaanse R&D-budget vanaf 1997 met 40 procent is gestegen tegen 7 procent in Europa, moet vrezen dat multinationals hun R&D uiteindelijk buiten Europa zullen concentreren. Daarmee schopt de EU het niet tot meest concurrerende kenniseconomie.